Artikel

Willem Elias over het werk van Nicolas Provost

De ontvlot vlottende beelden van Provost

Gewoon Hoogleraar en Decaan aan de VUB Willem Elias verklaart zijn liefde voor het kortfilmoeuvre van Nicolas Provost.

Tags

10.12.2011 Kortfilm.be-redactie

Ons land kan met ongeremde fierheid Nicolas Provost naar voor schuiven als film- en videokunstenaar met internationaal erkend talent. Na ons jarenlang te verrassen met hoogst originele en innoverende kortfilms debuteerde Provost dit jaar met zijn langspeelfilm 'The Invader'. Geen paniek: Provost vertrouwde ons toe dat zijn kortfilmoeuvre nog niet afgesloten is. Toch grepen we de kans om zijn werk extra in de verf te zetten.

Naar aanleiding van de specials rond Nicolas Provost tijdens Het Grote Ongeduld!Xtra in Brussel en het Kortfilmfestival Leuven verschenen er op Kortfilm.be recensies en een videoverslag over de kunstenaar. Daarnaast vroegen we Willem Elias (Gewoon Hoogleraar en Decaan aan de VUB) om een overzichtsartikel te schrijven over zijn vroegere werk aangezien hij als voorzitter van het HISK altijd zijn fascinatie voor de videokunstenaar heeft uitgedragen.

DE ONTVLOT VLOTTENDE BEELDEN VAN PROVOST

Nicolas Provost studeerde in 1994 af aan de Academie van Gent (KASK). Tijdens zijn studie verbleef hij in het kader van een uitwisseling twee jaar aan de academie van Bergen, Noorwegen, waar hij met video experimenteerde. De acht jaren die daarop volgden woonde hij in Oslo waar hij werkte als illustrator, grafisch ontwerper en art director. In 1999 begon hij opnieuw films te maken die snel hun weg vonden naar de internationale film- en visuele kunstplatforms. In 2004-2005 studeerde hij aan het HISK, een instituut waar hij in zijn atelier, geconfronteerd met internationale gastdocenten, zijn werk verder kon ontwikkelen.

Het is fijn dat ik uitgenodigd word om een korte tekst over zijn werk te schrijven. Dat verplicht me immers om mijn gedachten te ordenen en eens te formuleren waarom ik vanaf het zien van zijn eerste film zo geboeid ben door zijn werk. Als voorzitter van het HISK leerde ik hem kennen als een bescheiden, vriendelijke maar vooral een zeer intelligente man. Iemand die weet waarover het leven gaat. In zijn open blik spreken zijn ogen boekdelen, en zijn knipogen zijn de voetnoten die de Grote Waarheden relativeren.

Die levenswijsheden en zijn ondermijning van een dogmatische kijk op de dingen vindt men ook terug in zijn films. Een aantal van zijn kortfilms behoort ondertussen tot de beeldcultuur die me zeer genegen is en die ik in mijn geheugen koester zoals mijn lievelingsschilderijen. Een aantal ervan heb ik ondertussen al een tiental keren gezien, o.a. omdat ik ze graag toon wanneer ik in binnen- en buitenland over het HISK ga spreken.

Need any help?’ (1999) geeft reeds als een bloembol de kern waaruit zijn verdere oeuvre zal ontluiken. Een vrouw in een oud Amerikaans automodel, pikt aan de rand van de weg een man op (die met zijn borsalinahoed en befsnorretje overigens perfect bij dat model past) met de vraag of hij hulp nodig heeft. Terwijl ze door een eenzaam onherbergzaam landschap rijden, ontspint zich een gesprek. Gemaakt vrolijke momenten worden afgewisseld met ongemakkelijke frasen. Het verlangen hangt in de lucht, evenals de eraan verbonden remmingen. Wisselende muzikale achtergronden bevestigen de onzekerheid over wat te wachten staat. Een scène op de achterbank wordt aan de verbeelding van de kijker overgelaten. Filmisch zit de film vol verwijzingen naar bestaande genres.

 

'Need any help?'

 

Beklijvend is ‘Madonna with child’ (2001). Wat er zich emotioneel in het lichaam van een vrouw afspeelt die ongewenst zwanger is, valt moeilijk te vatten voor een man. De film toont het ons: een intrieste reis met openbaar vervoer naar een eenzame plek waar een abortus eigenhandig bewerkstelligd wordt. Kil in een bos versmelten modder en bloed. ‘Modder’ en ‘moeder’ zijn overigens etymologisch aan elkaar verwant.

Eenzelfde mistroostigheid vindt men in ‘Yellow Mellow’ (2002) waar een in teddybeer verklede mens ronddoolt in een bos. Even bevreemdend is ‘Good afternoon gentlemen’ (2002). Witte vlakken – bladen papier – dansen slow motion op het scherm. De conversatie verloopt moeizaam. Een van de gesprekspartners blijkt een computerstem. Angstig is de sfeer. Het machinale van de mensenstem speelt met het menselijke van de machinestem.

In hetzelfde jaar 2002 maakt Provost ‘I hate this town’, een parodie op de seksindustrie. Via de repetitie van de stereotiepe commerciële verleidingsmimiek wordt deze van elke erotische aantrekkingskracht ontdaan. Precies de mensendrukte verhoogt het eenzaamheidsgevoel. Negatief contrast vormt de onverschilligheid van de pooiers.

In 2003 komen de twee juweeltjes uit qua beelddeconstructie. Provost bewerkt met een spiegeleffect een paar scènes uit ‘Rashomon’ van Kurosowa. ‘Bataille’ toont het gevecht voor een vrouw. Het dansante van het gevecht wordt door zijn ingreep sterk benadrukt in wat een heuse choreografie lijkt. 'Papillon d'amour' is het in spiegelbeeld ontdubbelde beeld van de vrouw uit dezelfde film die voortdurend in een vlinder metamorfoseert. Vergeten we ook niet dat ‘Rashomon’ (1950) ophef maakte als ondermijner van de waarheidsbetrachting. De film is het verhaal van vier getuigen die elk een andere versie van de feiten brengen, zonder dat men tot een uiteindelijke eenheid komt. Zelfs de objectieve verteller brengt een interpretatie van de feiten. Deze Nietzscheaanse gedachte was in die tijd nog geen gemeengoed, misschien ook nu nog niet. Het blijft een constante in het werk van Nicolas Provost.

In ‘Oh dear’ (2004), een film van één minuut, zit de sfeer van het “unheimliche” sterk geconcentreerd vervat. Freud gebruikte deze term om het ongewone van het gewone uit te drukken. Twee kinderen, type kleine volwassenen, worden na een gocart-rit geconfronteerd met een even verwonderde bambi, symbool van de onschuld.

Een goede voorbereiding op zijn langspeeldebuut ‘The Invader’ is ‘Exoticore’ (2O04), het verhaal van een zwarte welwillende metrochauffeur in Noorwegen en hoe racisme die zachtaardigheid vol goede bedoelingen langzaam maar zeker ondermijnt.

In ‘River of January’ (2005) herhaalt Provost zijn kritiek op het stereotiepe van de seksindustrie. In een zuiderse prostitutiebuurt beklemtoont hij de nepkwaliteiten van de al te mechanische erotische bewegingen. De aantrekkelijkheid van de dame is er even efficiënt als het plezier om te luisteren naar een vinylplaat die blijft hangen.

 

'Papillon d'amour'

 

'The Divers' legt meesterlijk de spanning bloot tussen het passionele verlangen van een ontluikende liefde en de lichamelijke remmingen veroorzaakt door bedeesdheid en culturele regels. De ruimte is zeer symbolisch. Op de achtergrond een spetterend vuurwerk, een teken van wat het zou kunnen worden. Het koppel staat op een balkon. De romantische plaats bij uitstek als symbool voor de buitengewone intimiteit, voorspelige plek op de gewoonte in de slaapkamer. Maar het balkon is ook een teken van de grens en de afgrond. De beelden focussen op de onwennige handelingen van de fase van het nog-niet-kussen.

Na die prachtige start heeft hij voorts nog zeer boeiende kortfilms gemaakt, waarvoor het woord ‘mooi’ mag gebruikt worden. Met nu als voorlopig hoogtepunt ‘The Invader’, een langspeelfilm. Om zijn films te begrijpen volstaat zijn eigen statement: “My field of interest is to question the phenomenon of cinema. My work is a reflection on the grammar of cinema and the relation between visual art and the cinematic experience. Foremost, I try to grasp our collective film memory and make poetry.”

Tijd noch plaats resten mij om een uitgebreide interpretatie te geven van zijn werk. Vandaar dat ik een soort toverformule wil opstellen als sleutel tot zijn oeuvre. Zijn zopas geciteerde statement realiseert hij door spiegeleffecten, visuele ontploffingen, vele herhalingen en ondermijnende bevestigingen of omgekeerd affirmatieve negaties. De essentie is dat er geen essentie is en dat elk filmgenre een constructie is waarin niet de boodschap de boodschap is, maar waarin de filmische code van het genre de boodschap bepaalt. In die zin is Provost een schoolvoorbeeld van een Derridiaanse deconstructie.

Tot slot wil ik toch nog verklappen dat ik getroffen ben door het openingsbeeld van zijn nieuwe film ‘The Invader’. Het is duidelijk een verwijzing naar ‘L’origine du monde’ van Courbet, met een aan de normen van de tijd aangepast mooi model. Het is mijn overtuiging dat ‘L’origine du monde’ ook ‘L’origine de l’art moderne’ is en meer nog dat deze oorsprong van de wereld en van de moderne kunst via de evolutie van het postmoderne kijken symbool geworden is voor de kunst zelf of met andere woorden ‘L’origine du monde’ van Courbet heeft de Mona Lisa van da Vinci vervange. (1) En Duchamp kan er geen snor op tekenen. De openingsscène in de film van Provost bevestigt mijn stelling.

Willem Elias

Voorzitter HISK
Gewoon Hoogleraar Culturele Agogiek
Decaan van de Faculteit Psychologie en Educatiewetenschappen VUB

Coverfoto © 'The Painters' (2013, Nicolas Provost)

— (1) Deze gedachte wordt ontwikkeld in mijn: 'Tekens aan de Wand, Stromingen in de hedendaagse kunstfilosofie', VubPress, Brussel, 2011, pp. 310-325.